Eigen aangifte faillissement onrechtmatig jegens werknemers?

Kan een werknemer die salaris misloopt door het faillissement van zijn werkgever, zijn oude baas met succes aansprakelijk stellen omdat het faillissement onnodig was? Onlangs wees het hof te Den Haag zo’n vordering af. Uit de uitspraak blijkt, dat de werknemer een zware bewijslast heeft.

 

Een timmerman en een metselaar zijn in respectievelijk 1967 en 1985 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) een besloten vennootschap die een aannemersbedrijf uitbaatte. Omdat het economisch tij tegenzit, wil de bestuurder de onderneming op zeker moment opheffen. De vennootschap vraagt de kantonrechter de arbeidsovereenkomsten te ontbinden vanwege de slechte bedrijfseconomische situatie maar de rechter wijst de verzoeken af.

 

Voorafgaand aan het vonnis, doet de vennootschap de werknemers een aanbod: Beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met toekenning van een vergoeding van € 37.000,– voor hen samen. Als zij dit niet accepteren, moeten zij rekening houden met een faillissement, aldus de bestuurder. De werknemers wijzen het aanbod toch van de hand.

 

Dan doet de vennootschap inderdaad faillissementsaangifte. De rechtbank spreekt het faillissement uit. De curator zegt de arbeidsovereenkomsten op. De timmerman en de metselaar worden deels uitbetaald door het UWV. En uiteindelijk wordt het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten.

 

De ex-werknemers beginnen vervolgens een procedure tegen de bestuurder. Zij stellen dat een faillissement voorkomen had kunnen worden, omdat de financiële situatie niet zo slecht was, althans dat de bestuurder met opzet een slechte situatie heeft gecreëerd. Activa en activiteiten van de vennootschap zouden naar een andere rechtspersoon zijn overgeheveld. De bestuurder zou het faillissement hebben gebruikt om arbeidsrechtelijke bescherming te omzeilen. De ex-werknemers vinden dat de bestuurder zijn bevoegdheid heeft misbruikt en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld bij de faillissementsaangifte. Zij eisen vergoeding van hun inkomens- en pensioenschade.

 

De rechtbank wijst de vorderingen af en de timmerman en de metselaar stellen hoger beroep in. Het gerechtshof toetst vervolgens of het zich op gemakkelijke wijze ontdoen van personeel een belangrijke drijfveer voor de faillissementsaangifte is geweest. Daarbij wordt beoordeeld of de vennootschap nog mogelijkheden had om voldoende omzet te verwerven en een positief resultaat te behalen. Ondanks getuigenverhoren lukt het de ex-werknemers niet om aan te tonen dat de onderneming nog toekomst had. Zij kunnen niet laten zien dat er nog genoeg opdrachten (in het verschiet) waren.

Het hof oordeelt dan ook dat er niet voldoende bewijs is geleverd van misbruik van bevoegdheid of onrechtmatig handelen jegens de werknemers.

 

De ex-werknemers hebben in deze zaak een zware bewijslast op hun schouders genomen en zij konden hun stellingen niet bewijzen. Het is in dergelijke situaties van belang dat in een vroeg stadium rechtshulp wordt gezocht. Er kan dan in iedere fase een weloverwogen juridische afweging worden gemaakt. En de uitkomst daarvan kan natuurlijk ook zijn, dat er niet (verder) geprocedeerd moet worden.

 

Voor de volledige uitspraak verwijs ik u naar http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:565

 

Wilt u meer weten over aansprakelijkheden en arbeidsgeschillen, zowel binnen als buiten faillissement, neemt u dan contact met ons op.